Homepagina

Het ontstaan van het gilde

De schuttersgilden zijn eind 13e eeuw ontstaan voornamelijk in de Gewesten Vlaanderen en Brabant. Het waren typische mannengezelschappen die zich gilden noemden. De bedoeling was het bewaken en verdedigen van het eigen volk. Brabant werd in die tijd voornamelijk geteisterd door oorlogen en plunderaars. Vanaf het begin is er een hechte band met kerk en gemeenschap. Uit onderzoek is gebleken dat het Sint-Catharinagilde Strijp reeds in 1545 bestond. Deze gegevens zijn gebaseerd uit een onderzoek van de zilveren koningsvogel. Het is echter niet uitgesloten dat het gilde eerder is opgericht.

Om de vijand te weerstaan werden er wedstrijden georganiseerd met kruisbogen en wapens om de geoefendheid van de leden op peil te houden. Schieten is belangrijk voor het gilde. In Brabant wordt geschoten op de vogel daarbij is bepaald dat diegene die de houten vogel naar beneden haalt zich voor een periode koning mag noemen van het gilde. Het oudste document, in bezit van het gilde, dateert uit het jaar 1800. In dat jaar tekenen de Strijpse rivaliserende gilden Sint-Joris en Sint-Catharina ‘vrede’. Daarbij komt men overeen dat de gemeenschappelijke schutsboom gezamenlijk wordt onderhouden. In een document wordt vastgelegd dat slechts één gilde op kermismaandag koning schiet. Dit is de reden dat het Sint-Catharinagilde om de twee jaar koning schiet.

Het oudste reglement dateert uit 1873; opgesteld door de ‘directie der gilde’. In artikelen werden de rechten en plichten van de gildebroeders en overheid vastgelegd.

Gilde Historie

De schutterij of het schuttersgilde was een lokale militie opgericht in de middeleeuwen, bestaande uit burgers, om hun stad of dorp te beschermen en verdedigen bij een externe aanval van bijvoorbeeld rondzwervende roversbenden of vreemde legers en intern de orde te handhaven bij oproer, brand of prominent bezoek. De kerntaken van de schutterij waren aldus te vergelijken met die van de hedendaagse orde en hulpdiensten zoals politie, brandweer en het leger: het bewaken en bewaren van orde, rust en veiligheid van de burgers.

De naam schutterij komt waarschijnlijk van het schieten, eerder dan van het beschutten. Schutterijen waren aanvankelijk gegroepeerd volgens het wapen dat ze gebruikten: de handboog, de voetboog of het geweer en later naar hun wijk. Grotere steden waren vaak tegen externe bedreigingen beveiligd met stadswallen waarop kanonnen stonden opgesteld. Ook deze wapens werden door de schutterij bediend. Hun oefenterreinen, de doelen, waren in bijna alle gevallen nabij deze stadsmuren, zodat de eventuele schade beperkt zou blijven.

 

In 1813, na het vertrek van de Fransen, werden opnieuw lokale schutterijen opgericht om in de steden waar deze werden ingesteld weer opnieuw de oorspronkelijke taak van de historische schutterij ter hand te nemen: orde en rust handhaven. De oude historische schutterij bleef daarnaast ook bestaan maar had alleen nog maar een sociale functie. Daarnaast zou de ‘nieuwe’ schutterij de nationale militie kunnen dienen ter verdediging tegen buitenlandse aanvallen. In noodgevallen konden militie en schutterijen worden samengevoegd tot de zogenaamde landstorm.